Puskás Ferenc Stadion, Budapest XIV
Club: nationale ploeg
Capaciteit: 68.976 zitplaatsen
Oude benaming: Népstadion “stadion van het volk” (tot 2002)
Architect: team onder supervisie van Károly Dávid jr.
Gebouwd: 1948 - 1953
Opening: 20 augustus 1953
Toeschouwerrecord: 104.000 op 16 oktober 1955 (Hongarije – Oostenrijk)
Meest legendarische wedstrijd: 23/05/1954 Hongarije – Engeland 7-1
Andere noemenswaardige evenementen:
-
EK Basketbal 1955
-
EK atletiek 1966 en 1998
-
Legendarische loopduels tussen Kovács, Kuc en Zátopek 1953 en 1954
-
Optredens van o.a. Queen, Sting, Bruce Springsteen, Guns N’ Roses, Depeche Mode, Robbie Williams…
Weetje: stadion deed dienst als filmlocatie voor Steven Spielbergs film “Munich”

De eerste plannen voor een nationaal sportstadion werden in de Hongaarse hoofdstad al in 1895 ontvouwd. Nadat Athene zich had teruggetrokken als Olympische gaststad, hadden de Magyaren veel zin om zelf het mondiale sportevenement te organiseren. Helaas voor Hongarije kreeg de vanuit het buitenland volop gesteunde kandidatuur oppositie vanuit “binnenlandse” hoek. Franz-Joseph, keizer van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie, kon het niet verkroppen dat de eer van gaststad aan Boedapest zou toekomen in plaats van aan “zijn” Wenen. Toen Athene zich alsnog opnieuw kandidaat stelde voor de organisatie konden samen met de Olympische ambities meteen ook de bouwplannen worden opgeborgen, en niet voor eventjes.
Decennialang dienden tientallen architecten bij de overheid plannen in voor het ontwerp en de bouw van een nationaal stadion maar de Hongaarse voetbalfan zou op zijn honger moeten blijven zitten tot na de Tweede Wereldoorlog. De instorting van een deel van de tribune in het oude Üllői ut Stadion bracht de plannen van de communistische partij om “een stadion voor het volk” te bouwen in een stroomversnelling. Het was president Zoltán Tildy die op 12 juli 1948 de eerste spadesteek deed voor de bouw van het nieuwe multisportstadion dat voornamelijk door soldaten en “vrijwilligers” zou worden gebouwd.

Architect Károly Dávid jr. kreeg opdracht om samen met een groep jonge architecten een gigantische arena te ontwerpen. Hij speelde aanvankelijk met een idee van de wereldvermaarde architect Le Corbusier voor een hoefijzervormig stadion met een volledig open oostkant. In het uiteindelijke ontwerp zouden 10 pilaren van 18 m hoog aan de oostzijde en 18 pilaren van 30 m hoog aan de andere zijden de tribunes ondersteunen.

De door 80.000 toeschouwers bijgewoonde openingsceremonie op 20 augustus 1953 was een dagvullend programma. Aan de apotheose van de dag, de met 3-2 gewonnen wedstrijd van Honvéd tegen Spartak Moskou, gingen een turnfeest, volksdansoptreden, een atletiekmeeting en uiteraard een massa communistische propaganda vooraf. Op de stadionverlichting was het toen nog 6 jaar wachten, die kwam er in 1959 en werd vernieuwd in 1971.

Gelegen in de schaduw van de moderne “Papp Laszló Budapest Sportaréna”, vormt het stadion een grens tussen 2 totaal verschillende werelden. Waar je aan de noordkant door statige lanen langs dito gebouwen kan wandelen is het aan de zuidkant oppassen voor de troep die her en der het straatbeeld ontsiert. Het lijkt me allesbehalve een buurt om in het donker alleen te verkennen. Het stadion zelf maakt aan de buitenkant overigens ook geen al te frisse indruk. Het lijkt wel of Hongaren hun voetbalerfgoed niet kunnen of niet willen koesteren. Zo is de “Weg van de Jeugd”, een boulevard met stalinistische beelden van o.a. Imre Varga en István Tar die leidt naar de hoofdingang van het stadion, slecht onderhouden. Het onkruid tiert welig rondom het stadion en alles wat van ijzer is lijkt te willen roesten. De man die de hoofdingang bewaakt straalt weinig klasse uit en denkt dat we tickets willen kopen voor de Champions League kwalificatiewedstrijd van Debreceni VSC die hier binnen enkele dagen zal worden gespeeld. Telkens ik hem iets vraag wijst hij naar één van de loketten. We willen enkele foto’s aan de binnenkant maken maar we geraken er niet in.

Dat het Hongaarse nationale voetbalstadion de naam draagt van één van de grootste voetballers ooit kan uiteraard geen toeval zijn. Puskás Ferenc – in het Hongaarse draaien ze voor- en achternaam om – was ongetwijfeld één van de beste voetballer die ooit op de Europese velden heeft rondgelopen. De in 1927 als “Purczeld Ferenc” geboren aanvoerder van de “Magische Magyaren” werd met zijn land Olympisch kampioen in 1952 en speelde de finale van het WK 1954 in Bern tegen West-Duitsland (3-2 verlies). In de 85 wedstrijden die hij voor de nationale ploeg speelde zou de linksbuiten maar liefst 84 keer scoren! In de nadagen van zijn carrière speelde Puskás nog 4 interlands voor Spanje (toen kon dat nog) maar voor zijn nieuwe heimat kon hij de netten nooit bol zetten. Als clubspeler kende “Öcsi” (broertje) - zoals hij in Hongarije werd genoemd -, slechts 2 clubs. Als speler van Kispest AC/Honvéd werd Puskás 4 keer Hongaars topscorer, 1 keer Europees topscorer (1948) en behaalde hij 5 landstitels. Na de Hongaarse opstand in 1956 zocht hij heil bij het grote Real Madrid waar hij zijn capaciteiten als voetballer pas echt kon ontplooien. “Cañoncito Pum” (Kanonnetje Boem) – zijn bijnaam in Spanje – werd begin jaren 1960 4 keer Spaans topscorer, speelde in diezelfde periode 5 keer op rij met Real kampioen, won één Spaanse beker en speelde 5 Europa Cup I finales waarvan hij er 3 won. In 1960 mocht Ferenc Puskás ook een wereldbeker voor clubteams aan het palmares toevoegen.

Na zijn actieve carrière als speler reisde de wereldster als trainer de ganse aardbol af en vond hij werkgevers in Spanje, de Verenigde Staten, Canada, Griekenland, Chili, Saoedi-Arabië, Egypte, Paraguay en Australië om tenslotte in 1993 in eigen land te eindigen als interimcoach van de nationale ploeg. In vergelijking met zijn palmares als speler oogt dat als trainer eerder mager. Puskás werd 2 keer Grieks landskampioen met Panathinaikos en won met South Melbourne Hellas de Australische titel en de Australische beker. De Europacup I die hij als speler 3 keer de hoogte in had mogen steken moest hij in 1971 als trainer na een verloren finale met Panathinaikos aan Ajax Amsterdam laten.
Van zijn in 1993 vergaarde pensioenstatus heeft “de voetballende majoor” helaas niet lang kunnen genieten. Zeven jaar na zijn afscheid van de voetbalwereld werd in 2000 de ziekte van Alzheimer bij Puskás vastgesteld. De grootste Hongaarse voetballer ooit stierf op 17 november 2006 in zijn geboortestad Boedapest waar hij een grootse begrafenisplechtigheid kreeg in de Sint-Stefanusbasiliek. Nog tijdens zijn leven, ter ere van zijn 75e verjaardag, werd het nationale Népstadion omgedoopt in “Puskás Ferenc Standion”.

Bronnen:
Sporting Spaces (in de reeks „ Our Budapest“). ZEIDLER Miklós, uitg. City Hall
Ferenc Puskás. Uit wikipedia, de vrije encyclopedie.
Panoramafoto : Hamster.blog.hu |