Stadion
Flórián Albert, Budapest IX
Club: Ferencváros Torna Club Budapest
Capaciteit: 18.100 zitplaatsen
Opening: 19 mei 1974

Op 3 mei 1899 stichtte jeneverstoker dr. Ferenc Springer
in het 9e district van Boedapest - omwille van de daar gevestigde
Duitse burgerij ook wel eens “Franzendistrict”
genoemd -, De Ferencváros Torna Club Budapest. Tot
clubkleuren werden het groen en wit uit de Hongaarse vlag
verheven. Het rood werd niet overgenomen uit de vlag. Rood
was de kleur van de arbeiders en FTC was bovenal een burgerijclub.
5 Groene en 4 witte verticale banen in het wapenschild verwijzen
naar het district waar de club tot op vandaag nog steeds haar
thuiswedstrijden speelt.
Hoewel Ferencváros na degradatie in 2006 pas sinds
de zomer van 2009 terug op het hoogste niveau speelt, is de
club zonder twijfel de meest succesvolle voetbalvereniging
in Hongarije. FTC werd 29x landskampioen en veroverde 22x
de Hongaarse beker. Internationaal veroverde groenwit de Mitropa
Cup in 1928 en 1937. In 1965 vierde de club met de Beker der
Jaarbeurssteden haar grootste internationale succes. Tijdens
het seizoen 1995-96 plaatste Ferencváros zich ten koste
van RSC Anderlecht voor de Champions League poules.

Als club met “Duitse” roots en als aartsvijand
van het joods-getinte MTK Budapest, verwerd de club tijdens
de Tweede Wereldoorlog tot lievelingsclub van de Hongaarse
nazi’s. Ook vandaag dweept een deel van de aanhang met
het extreemrechtse gedachtegoed. De harde kern van FTC-fans
is zowel binnen als buiten de eigen landsgrenzen berucht.

Op de huidige locatie, pal boven metrohalte Népliget,
werd in 1910 gestart met de bouw van een voetbalstadion. “Stadion
Ülloi ut”, genoemd naar de hoofdweg die langs de
noordtribune loopt, werd op 12 februari 1911 voor ongeveer
20.000 toeschouwers feestelijk geopend. Aangewakkerd door
de rivaliteit met MTK Budapest werd het stadion in de loop
der jaren verschillende keren uitgebreid. De in 1924 door
architect Aladár Mattyók ontworpen tribune mat
16 meter hoog en was maar liefst 134 meter lang.
Het stadion deed vanaf de jaren ’20 ook dienst als thuishaven
voor de Hongaarse nationale ploeg maar de brand die de hoofdtribune
in 1927 vernielde was het begin van een lange lijdensweg voor
“Ülloi ut”. In 1935 moest de andere tribune
er aan geloven toen een rukwind het dak wegblies. Tijdens
de Tweede Wereldoorlog kreeg het stadion zijn deel van de
oorlogsschade en het inzakken van een deel van de tribune
tijdens een interland tegen Oostenrijk in 1947 leidde het
begin van het einde in voor het stadion van de “Franzen”.
Nadat in 1952 interlands taboe werden in het 9e district,
werd het stadion 9 jaar later definitief gesloten.

De Ferencváros Torna Club zou 11 jaar in ballingschap
moeten doorbrengen want na de sloop van het oude stadion verrees
pas in 1972 een nieuw clubhuis. Het was toen nog 2 jaar wachten
eer de door architecten József Schall en Miklós
Kapsza ontworpen hoofdtribune klaar was en groenwit in 1974
eindelijk kon terugkeren naar de oude heimat. Het nieuwe stadion
telde bij de opening 28.000 plaatsen.
Sinds 2007 heet het stadion officieel “Stadion Flórián
Albert” naar de in 1941 geboren aanvaller die de geschiedenis
inging als één van de meest elegante voetbalspelers
die Europa ooit heeft gekend. Flórián Albert
werd in 1967, 2 jaar nadat hij met zijn club de Beker der
Jaarbeusteden had veroverd, uitgeroepen tot Europees Voetballer
van het Jaar.
Een glimp opvangen van de binnenkant van het stadion dat
inmiddels een “all seater” is met dik 18.000 plaatsen,
is op wedstrijdvrije dagen helaas enkel mogelijk vanuit de
auto als je over het naastgelegen viaduct rijdt. Het beeld
van een naakte man achter één van beide doelen
ter herinnering aan dr. Ferenc Springer is van de straatkant
niet zichtbaar. Wél te bezoeken aan de straatkant is
de promenade met naamtegels van de Olympische helden van de
club.
Meer foto's
Bronnen:
Europese Voetbalstadions. HEATLEY Michael, uitg. Atrium
Fussball Derbys: die 75 Fußball-verrücktesten
Städte der Welt. GISLER Omar, uitg. Copress Sport
Sporting Spaces (in de reeks „ Our Budapest“).
ZEIDLER Miklós, uitg. City Hall
|