Aan de staat van het stadion kan men vaak het wel en wee van
een club aflezen en omgekeerd. Het is niet anders in Stadion
Uhlenkrug, het stadion van NRW-liga club ETB Schwarz-Weiss
Essen.
Toegegeven, we hadden niet verwacht zulk een nette arena aan
te treffen, maar de nog duidelijk zichtbare contouren van
wat ooit geweest is verraden een veel rijker verleden voor
zowel stadion als club dan het hedendaagse bestaan op niveau
5 van het Duitse voetbal.
Op het behalen van de DFB-Pokal in 1959 na heeft de club
uit Essen na de Tweede Wereldoorlog nooit grote successen
gevierd. De ex-club van “golden goal” scorer Oliver
Bierhoff op het EK 1996 speelde in de na-oorlogse periode
zelfs nooit op het hoogste niveau. Ze waren er nog wel enkele
keren dichtbij, begin jaren ’60 en medio jaren ’70
van vorige eeuw maar na het vrijwillig inleveren van de proflicentie
in 1978 zegde ETB het profvoetbal voorgoed vaarwel.

Schwarz-Weiss Essen speelt sinds 1922, toen Stadion Uhlenkrug
werd gebouwd, op de huidige locatie in het zuiden van de stad.
Het stadion dat voornamelijk werd gefinancierd met giften
van leden en sympathiserende weldoeners beschikte naast een
tribune met ijzeren geraamte ook over 2 oefenvelden en een
tennisveld. Ongekende luxe waarvoor de burgerijclub werd benijd.
Door het aanhoudende succes van de club in de jaren ’20
en ’30 van vorige eeuw werd het stadion dat tot 1940
ook Max-Ring-Kampfbahn werd genoemd, in 1939 verder uitgebreid.
De capaciteit van de tribune steeg zo van 2.000 naar 2.400
plaatsen terwijl het aantal staanplaatsen werd opgeschroefd
naar 45.000. Het vernieuwde stadion werd op 3 november 1940
ingewijd met een galamatch tegen Duits kampioen Schalke 04.
Na de Tweede Wereldoorlog ging het zowel met stadion als
met club bergaf. De laatste keer dat het stadion volliep was
op 23 november 1951 toen die Mannschaft de buren uit Luxemburg
met 4-1 inblikte. Het toeschouwerrecord op Uhlenkrug van 45.000
dat die dag werd gevestigd zal wellicht tot in de eeuwigheid
blijven staan. De hoogdagen van ETB Schwarz-Weiss Essen leken
voorbij en het muurtje dat de hoofdtribune van het speelveld
scheidde kreeg spottend de bijnaam “Klaagmuur”
omdat er van op de hoofdtribune in plaats van gejuich veeleer
gejammer weerklonk.
Door het uitblijven van sportieve successen vond ook de massa
niet langer de weg naar de Uhlenkrug. De christendemocratisch
getinte club kreeg in het sociaaldemocratische Essen nog nauwelijks
voet aan wal. De sympathie van het “rode” stadsbestuur
ging haast unaniem uit naar rivaal Rot-Weiss Essen, de van
oudsher proletarische club aan de andere kant van de stad.
Het bedrag dat het stadsbestuur in 1973 betaalde om Stadion
Uhlenkrug van de club over te nemen was een lachertje maar
de noodlijdende club kon niet anders dan buigen voor het belachelijk
lage bod. Wanneer het stadion volgens DFB-normen in 1975 niet
meer voldeed aan de licentievoorwaarden was Schwarz-Weiss
genoodzaakt de volgende 3 seizoenen in ballingschap door te
brengen. Een laatste hoogtepunt vóór de ballingschap
beleefde de club in 1975 toen ze als leider in de 2e Bundesliga
de nummer 2 VfL Osnabrück mocht ontvangen. Op een doordeweekse
woensdagavond maakten plots 19.000 mensen hun opwachting aan
de kassa’s van het stadion. Een ware overrompeling.
Vandaag schat ik de capaciteit van Stadion Uhlenkrug, gelegen
naast de gelijknamige kroeg, op ongeveer 10.000 plaatsen.
De hoofdtribune staat nog steeds trots te pronken maar van
de onoverdekte staantribunes lijkt na een recente sanering
nog weinig overeind. Enkel de Unterrang achter één
van beide doelen en langs een deel van de lange zijde van
het veld staat er nog. Er werden nieuwe armsteunen aangebracht
terwijl de vluchtwegen werden bedacht met een vers laagje
rode verf. Gelukkig viel de legendarische stadionklok achter
één van beide doelen niet ten prooi aan de saneringsdrang
van de stadionuitbaters. Deze vierzijdige klok wijst aan elk
van de vier zijden een ander uur aan. Misschien om te vermijden
dat binnenkort het laatste uur voor club en stadion zal geslagen
hebben?

Bronnen:
“Vom “Herz aus Stahl” träumten andere
Klubs “. Nöllenheidt Achim in “Das Grosse
Buch der deutschen Fussball-Stadien. SKRETNY Werner. |