Een opstijgende mist bedekt het landschap. In de verte schijnt een wazig licht. Ik hoor de golven van de woeste zee tegen mekaar kletsen, in een vurige waterstrijd verwikkeld. De wind zet zich strak. Mijn voetsporen in het zand kunnen slechts luttele seconden genieten van hun indruk, vooraleer de woeste wind alle sporen uitwist. Met moeite hou ik me recht in de golvende duinen. Daar, tussen de zandbergen heen ontspruit er een café. Enigszins schoorvoetend stap ik binnen. Een klein, houten barak met een vissersboot boven de ingang. Binnen is het al even mistig. Aan de toog hangen bonkige kerels, ingeduffeld in wollen kledij en mutsen, in halfcomateuze toestand. Iets verderop maken kaartende vissers veel lawaai. Uit de jukebox klinkt de grootste hit van schippersdochter Lucy Loes, die als het ware getrouwd is met de zee. Ik zet me aan de toog. Een bonkige schipper, met het onvermijdelijke anker op de voorarm getatoëerd, draait zich naar me toe. Hij bekijkt me aandachtig, nipt aan zijn glas whiskey en zegt met een schorre stem: "Oostende is niet meer wat het ooit is geweest."
De volgende dag loop ik op de Oostendse dijk. In een ooghoek zie ik echter vier lichtmasten uit de grond opstijgen. Ik laat het zeetje links liggen, en ga op verkenning. Aan de ijzeren poort wordt mijn tocht reeds op abrupte wijze halt geroepen. Ik mijmer echter naar het verleden. Mijn gedachten dwalen meer dan honderd jaren terug in de tijd. Hier sta ik weer, aan dezelfde poort, in voddenkleren en een veel te grote pet. Op de grote weg rijdt geen tram meer, maar wel paarden met koetsen. Mannen met hoge hoeden banen zich een weg, vrouwen in fleurige jurken en paraplu's huppelen door de straten. Oostende verwacht chique volk. Koning Leopold II is in de stad om zijn Venetiaanse Gaanderij plechtig te openen. Ik heb echter meer oog voor de clash van de plaatselijke trots. AS Oostende neemt het op deze heuglijke dag op tegen VG Oostende. Een clash tussen verschillende clubs. Een clash tussen verschillende kleuren. Een clash tussen verschillende achtergronden.

In 1851 richtten enkele liefhebbers van de Vlaemsche taal het Willemsfonds op. Het zwaartepunt van deze Vlaamse culturele beweging lag in Gent, maar in 1880 richtte Auguste Van Neste ook in Oostende een afdeling op. Na de eeuwwisseling bloeide deze afdeling volledig open. Twee jongere leden van het Willemsfonds, Eugène Everaerts en Leopold Liedts, zagen hun kans schoon om het Willemsfonds van enige uitbreiding te voorzien en zich niet te beperken tot louter culturele affaires. De Van Neste Genootschap, genoemd naar de oprichter van de Oostendse tak van het Willemsfonds, was geboren. Voortaan zou het Vlaamse karakter ook tot uiting komen in studie, zang, toneel en gymnastiek. Enkele jongeren eisen dat voetbal ook wordt opgenomen, en op de algemene vergadering van 30 oktober 1907 worden onder impuls van Frederik Seynhaeve de statuten van de Oostendse voetbalafdeling goedgekeurd. Het volgende seizoen maakt Van Neste Genootschap Oostende, kortweg VG Oostende, als stamnummer 31 zijn opwachting in derde nationale. Het bleek een sportief succes te worden. VGO eindigde als kampioen, en de Finale van de Beide Vlaanderen werd gewonnen.
Het succes van VGO bracht andere Oostendenaren op ideeën. In 1911 werd de Association Sportive Ostendaise opgericht, als tegenhanger van het Vlaamsgezinde VGO. Het stamnummer 53 adopteerden rood en groen als clubkleuren, en werkten hun wedstrijden af op een terrein aan de Butterpit. Een eerste oefenwedstrijd tussen beide Oostendse rivalen eindigden in 1912 op een 4-2 overwinning voor VGO. Een eerste officieel duel volgde op 3 november 1912. Onder druk van SV Roeselare kreeg de provincie West-Vlaanderen een eigen reeks, waarin zowel VGO als ASO hun opwachting maakten. VGO won de derby met 3-0. Het plebs versloeg de bourgeoisie. De Vegisten versloegen de Assisten. Dat seizoen kleurde Oostende roodgeel.

Doordat enkele Servische nationalisten zich niet konden inhouden, werden de meeste Oostendse voetballers de volgende jaren ingeschakeld in de Grote Oorlog. De voetbalcompetitie wordt geschorst, maar in 1918 gaat de belangrijkste bijzaak in het leven weer verder. Oostende kreunt onder de gevolgen van de oorlog, maar in maart 1918 wordt in Oostende een tornooi gespeeld. De opbrengst gaat naar de Hulpkas van de Behoeftige Oostendse Krijgsgevangenen.
Voor het seizoen 1920-1921 had de kalendermaker ongetwijfeld enige vorm van suspense ingebouwd. Hij zette de derby VGO - ASO op de allerlaatste speeldag, net wanneer VGO één punt voorsprong had op ASO. De Vegisten hadden dat seizoen geen enkele nederlaag geleden, en dat zou ASO geweten hebben. De hele stad bleek aanwezig te zijn op het veel te kleine voetbalveldje, en reeds dagen op voorhand waren er schermutselingen te noteren tussen aanhangers van beide clubs. De rivaliteit zou een eerste hoogtepunt bereiken. Zeker nadat VGO de wedstrijd met 1-0 won en zich zo tot kampioen kroonde, en de Assisten met gebogen hoofd naar het roodgroene gedeelte van de stad afdropen. Het hoeft geen betoog dat die zomer vooral de Vegisten een gebruind kleurtje hadden, zij durfden tenminste buiten komen!

Door een herschikking van de nationale en provinciale reeksen dat jaar miste VGO echter promotie naar Bevordering. En maar goed ook, zo stond er tenminste weer een echte Oostende derby op het programma. Ook dit seizoen kende een dramatische afloop, met VGO en ASO als protagonisten van dienst. VGO eindigt - wederom - op de eerste plaats, gevolgd door - wederom - ASO. De Assisten dienen echter een klacht in tegen de met 3-2 verloren wedstrijd tegen SV Blankenberge. De voetbalbond aanvaardt deze klacht en kent ASO een 5-0 overwinning toe. Hierdoor wordt ASO en niet VGO de kampioen van West-Vlaanderen.
De daaropvolgende seizoenen jojoën zowel VGO en ASO doorheen de provinciale reeksen en Bevordering. In 1951 wijzigt de KBVB de indeling van de nationale competities. VGO profiteert hiervan om in de derde klasse aan te slag te gaan, terwijl ASO zijn opwachting maakt in de tweede nationale. De Assisten hebben het daar wel naar hun zin, en worden een vaste klant in de tweede klasse. In het seizoen 1968-1969 vonden ze het echter welletjes, en bekroonden ze zich tot kampioen in tweede klasse. Voor het eerst in de geschiedenis trok de hoogste elite van het Belgische voetbal naar de kust. AS Oostende werd de eerste kustploeg in eerste klasse. Lang duurde hun avontuur echter niet, en na twee degradaties in evenveel seizoenen bevond ASO zich plots in derde klasse. Daar ontmoetten ze hun oude vrienden van VG Oostende weer, met wie ze twee seizoenen samen de derde klasse konden kleuren. VGO was intussen vastgeroest in derde klasse, op drie seizoenen in tweede nationale na. In 1971-1972 was VGO duidelijk de betere van de twee. Zowel in Armenonville als in het Albertpark (voor 7.000 toeschouwers) gingen de Vegisten met de punten aan de haal. Een seizoen later stak ASO een tandje bij, en won in het hol van de leeuw met 0-1. Mede dankzij deze overwinning behaalde ASO de titel. Twee promoties later stond ASO weer in eerste klasse. Tussen 1974 en 1977 kon het Albertpark, dat in 1934 gebouwd werd, genieten van eerste klassevoetbal. Na de degradatie in 1977 was het verval echter ingezet.

Er wordt meer en meer gesproken over een mogelijke fusie tussen beide Oostendse kemphanen. AS Oostende verkeert in financiële moeilijkheden, en polst voorzichtig bij de mensen van VG Oostende. De bestuursleden van VGO zien geen enkele sportieve reden tot fusie. Bovendien staan echte Vegisten fundamenteel achter enige samenwerking met Assisten. Doch staat VGO niet weigerachtig tegenover een fusie. Financieel kan VGO wel wat hulp gebruiken. De supporters vinden maar moeilijk de weg naar het schitterende Armenonville, de thuishaven van VGO. Het beloven moeilijke tijden en woelige nachten te worden voor al wie VGO een warm hart toedraagt. De secretaris van VGO is alvast duidelijk: "Jamais!"
ASO is ook aan een sportief verval bezig. In drie seizoenen tijd tuimelden de Assisten van eerste naar derde klasse. Door wanbeleid is de financiële put in het Albertpark opgelopen tot dertig miljoen Belgische frank, en de fusieperikelen steken weer de kop op. Ook bij VGO is er een put te vinden van tien miljoen frank. Een harde kern Vegisten verzetten zich resoluut tegen een fusie met ASO, maar een immer groeiende groep ziet de voordelen van een fusie wel in. Op maandag 25 mei 1981 houdt VGO een beheerraad, waarover de fusie gesproken zal worden. Tien bestuurders zijn voor een samenwerking met ASO, drie bestuurders zijn tegen en twee onthielden zich. Een dag later vindt er in het Albertpark van ASO ook een beheerraad plaats. De stemming over een fusie is hier meer uitgesproken dan in Armenonville. Alle eenenveertig bestuurders stemmen voor een fusie. De stem heeft gesproken: AS Oostende en VG Oostende zijn niet meer. KV Oostende is de geboorte van beide rivalen. Het adopteert stamnummer 31 van VGO, en speelt zijn thuiswedstrijden in het Albertpark van ASO. De kleuren worden geel-rood-groen, een typisch Belgisch compromis.

Na de bekendmaking hiervan worden de muren van Armenonville bekladderd met de legendarische woorden "jamais". Maar in het karakteristieke stadion was iedereen uitgeteld. Enkele halsstarrige Vegisten besloten echter om met een volledig nieuwe club onderaan de ladder te beginnen. Een verloren gegane clubnaam moet volgens de voetbalbond tien jaar lang met rust gelaten worden, en ondanks tegenkantingen van het Oostends stadsbestuur en de nieuwe club KV Oostende, sluit Football Club Oostende Voetbal Genootschap zich onder stamnummer 8837 aan bij de KBVB. Gelukkig krijgt het weeskind toelating om zijn thuiswedstrijden op Armenonville te spelen. Op 8 september 1982 speelt de nieuwe club zijn eerste thuiswedstrijd tegen Daring Brugge. De nieuwe Vegisten verliezen met 1-4, maar niemand die baalt om de uitslag. De familie is terug.
Op 22 augustus 1991 wijzigt de beheerraad de naam van de club. De keuze is evident: Vanneste Genootschap Oostende is gereïncarneerd! Meer en meer oude Vegisten, die KV Oostende volgden, kregen opnieuw de Vegistmicrobe te pakken, en vonden hun weg naar Armenonville. VGO zwalpte op en neer in de provinciale reeksen. In 2001 werd de verouderde houten tribune uit 1921 echter afgekeurd wegens te onveilig, en VGO zag geen andere uitweg dan uit te wijken naar het Albertpark. VGO en KV Oostende vonden mekaar terug.
Armenonville is intussen niet meer. Het nabijgelegen AZ Damiaanziekenhuis diende een aanvraag in om het ziekenhuis uit te breiden, waardoor Armenonville in januari 2008 tegen de vlakte ging. De ziekenhuisbacterie sloeg keihard toe. De verkankerde hoofdtribune werd bestraald, maar het bleek fataal. De thuishaven van de Vegisten is niet meer. De voetbalsfeer sloeg hier geen adem meer. Het vernieuwde Albertpark trekt het Oostends voetbal naar zich toe. Terwijl ik terug door de ijzeren poort van het stadion mijmerde, moest ik denken aan de woorden van de schipper: "Oostende is niet meer wat het ooit is geweest." |