FC Amsterdam – Een Mislukt Alternatief

geplaatst in: Verhalen | 0

De geboorte van een nieuwe club

Toen begin jaren ’70 van de vorige eeuw de Nederlandse voetbalbond KNVB de tijd rijp achtte voor een grondige herschikking van het bestaande voetballandschap, had dit een zware impact op het verdere voortbestaan van een hele rits voetbalclubs. De KNVB wilde het aantal divisies in het betaalde voetbal terugschroeven van 3 naar 2. De belangrijkste parameter die bij de sanering werd gehanteerd was die van het gemiddelde aantal toeschouwers. Terwijl in Utrecht de clubs Elinkwijk, DOS en Velox fuseerden tot de “FC Utrecht”, werden andere clubs met een kleine achterban zoals De Baronie en SC Gooiland gedwongen het profvoetbal vaarwel te zeggen. De hoofdstad Amsterdam telde in die dagen naast het roemruchte Ajax nog drie andere, volkse, profclubs. Het noorden van de stad werd vertegenwoordigd door De Volewijckers, terwijl aan de overkant van het IJ, in het zuiden, DWS en Blauw Wit de overgebleven kruimels van de voetbalkoek onderling moesten verdelen.

 

De schifting van de KNVB bracht de 3 volksclubs samen rond de tafel maar tot een unaniem akkoord kwam het niet. Enkel de 2 clubs uit Amsterdam Zuid sloegen de handen in elkaar en op 20 juni 1972 werd de nieuwe fusieclub FC Amsterdam boven de doopvont gehouden. Vragende partij naast beide clubbesturen was de directie van het Olympisch Stadion. Zij zochten een vaste bespeler voor hun accommodatie en hoopten met een nieuwe profclub de grote massa richting Zuid te bewegen. FC Amsterdam moest een alternatief worden voor het in die dagen zeer succesvolle Ajax. Als clubkleuren werd gekozen voor een wit shirt¸rode broek en rode sokken. Clubembleem werd het Amsterdamse Lieverdje, het symbool van het Amsterdamse straatjochie dat eerder ook al door de provobeweging werd geadopteerd.

 

Het debuut in de Eredivisie

Als opvolger van DWS konden de Amsterdammers hun eerste seizoen, 1972-1973, meteen van start gaan op het hoogste niveau. DWS-trainer Pim van de Meent bleef na de fusie het sportieve roer in handen houden en mocht meteen beginnen selecteren uit de 60 profspelers die beide clubs bij elkaar hadden gebracht. Grootste naam in de selectie was ongetwijfeld die van oranjedoelman Jan Jongbloed. Bekendste nieuwkomers waren o.a. Abe van der Ban (AZ ’67), Chris Dekker (NEC), Leen van der Merkt (FC Utrecht) en de toen nog onbekende Nico Jansen (SDW). Het was uitkijken naar het begin van de competitie en om de voetbalhonger van het Amsterdamse publiek aan te wakkeren werd de volledige voorbereiding buiten de hoofdstad afgewerkt. De eerste competitiewedstrijd, uit bij Telstar, werd met 2-1 verloren. Waar elke Amsterdamse voetballiefhebber echter reikhalzend naar uitkeek, was de eerste thuiswedstrijd in het Olympisch Stadion tegen de buren van Ajax. De opkomst van 40.000 voetbalfans deed het beste verhopen voor de verdere toekomst van de club. De fusie leek aan te slaan bij het Amsterdamse publiek dat Ajax die dag met 1-2 zag winnen maar zich kon verkneukelen in een eigendoelpunt van grote meneer Johan Cruijff. Hoewel hij nooit voor de Lieverdjes zou spelen, scoorde Cruijff het eerste thuisdoelpunt voor FC Amsterdam ooit! FC Amsterdam zou dat seizoen uiteindelijk bovenaan het rechterkolommetje eindigen. Een gematigd sportief succes dat volledig overschaduwd werd door de lage publieke belangstelling want ondanks de veelbelovende debuutmatch konden de Lieverdjes in hun thuiswedstrijden (die tegen Ajax en Feyenoord uitgezonderd) gemiddeld slechts 4.000 toeschouwers boeien. Dramatisch dieptepunt vormde de laatste thuiswedstrijd tegen FC Groningen toen amper 800 mensen de kassa passeerden.

Succesvol in Europa

De bestuurders vonden nooit een oplossing voor de matige interesse van het Amsterdamse publiek. Zelfs toen de club in het seizoen 1974-75 (De Volewijckers waren ondertussen mee opgegaan in de fusie) na een 5e plaats het jaar voordien een mooi Europees parcours aflegde, bleven de banken in het Olympisch Stadion hoofdzakelijk leeg. Net op het sportieve hoogtepunt van FC Amsterdam en hij met volle teugen had moeten genieten, besefte groot bezieler van de club, Dé Stoop, dat zijn Lieverdjes wellicht geen lang leven beschoren was. Sportief was het nochtans een voltreffer, die Europese campagne in het najaar van 1974 want nadat eerst 2 keer in het Olympisch Stadion de maat werd genomen van het Maltese Hibernian, mochten de hoofdstedelingen op bezoek bij het grote Internazionale in Milaan. Het onvoorspelbare gebeurde want dankzij 2 doelpunten van Nico Jansen versloegen de withemden Inter met 1-2 in eigen huis. In het Olympisch Stadion gaven de Lieverdjes twee weken later voor 15.000 fans hun voorsprong niet meer uit handen. Een klein wonder was geschied. De volgende tegenstander heette Fortuna en kwam uit Düsseldorf. Wat een groot voetbalfeest had moeten worden draaide helaas uit op een grote ontgoocheling. Sportief liep alles gesmeerd, de Duitsers werden met 3-0 huiswaarts gestuurd maar de aanblik van de lege tribunes die avond in november heeft waarschijnlijk binnenin iets doen knakken bij voorzitter Dé Stoop. Amper 2.500 toeschouwers daagden op voor de ploeg die het grote Inter had uitgeschakeld! Wat kan je een voetbalfan nog meer bieden? Het Europese avontuur zou uiteindelijk één ronde later tegen de 1. FC Köln in sportieve mineur eindigen. Een ware veldslag eindigde in de domstad op 5-1 voor de Duitsers die vervolgens ook in Amsterdam met 2-3 aan het langste eind trokken. Een veelbesproken dubbele ontmoeting waarbij de Amsterdammers zich op het veld niet al te netjes hadden.

 

Kweekvijver van Amsterdams talent

FC Amsterdam was een leuke club, was een gezellige club die bekend stond voor zijn humor. Maar met humor alleen kan je geen profclub runnen. Van de tegenvallende entreegelden kon de vereniging niet overleven. Tot grote frustratie van de bestuurslui verleende de gemeente Amsterdam haar profclubs geen financiële steun, dit in tegenstelling tot de meeste andere voetbalsteden in Nederland. De Amsterdammers zochten daarom hun heil in het ontginnen van plaatselijk voetbaltalent. Het was de alom vermaarde talentscout Tonnie Bruins Slot die goudklompjes als Geert Meijer, Nico Jansen, Gerard van der Lem, Heini Otto en Japie Visser aan de oppervlakte bracht. Als hofleverancier van grote Nederlandse clubs konden de Amsterdammers enkele seizoenen het hoofd boven water houden. Toen ook Ajax in 1978 met Leo Beenhakker in eigen stad op zoek ging naar aanstormend talent kregen ze in het Olympisch Stadion echter opnieuw een zware klap te verwerken. Het vet was van de soep en de uittocht van talentrijke spelers die sinds de succesvolle wedstrijden in het UEFA-Cup tornooi op gang was gekomen kon niet meer worden opgevangen met evenwaardige talenten. Tot overmaat van ramp degradeerden de Amsterdammers op het einde van het seizoen 1977-78 na een dramatische laatste alles-of-niets-wedstrijd uit bij Go Ahead Eagles naar de Eerste Divisie.

 

De ondergang

Met een gezonde portie Amsterdamse zelfzekerheid was iedereen binnen de club rotsvast overtuigd van een onmiddellijke terugkeer naar het hoogste niveau. Een portie tegenslag en onderhuidse spanning in de groep bracht de roodwitten helaas niet verder dan een 9e plaats in hun eerste seizoen Eerste Divisie. Opmerkelijk wapenfeit van de Amsterdammers in de zomer van 1979 was het optreden in Japan op een tornooi dat werd georganiseerd door televisiezender Tokio Channel TV. Omdat Oranje niet beschikbaar was voor het tornooi mocht FC Amsterdam opdraven als alternatief. Zowel de Japanse organisatoren als de Amsterdammers zelf lieten het voetbalpubliek in het land van de rijzende zon in de waan dat het wel degelijk het echte Oranje betrof. Het seizoen volgend op het Japanse avontuur bleven de Lieverdjes aanmodderen in de Eerste Divisie. Omdat het vaak met een vergrootglas zoeken was naar supporters in het veel te ruim bemeten Olympisch Stadion, werden steeds meer thuiswedstrijden gespeeld op het kleine bijveld dat vanaf het seizoen 1980-81 de nieuwe vaste thuishaven zou worden. In aanloop naar de campagne 1981-82 deden de Amsterdammers met de leuze “FC Amsterdam: een gezellig alternatief” een laatste ultieme poging om het alternatieve deel van het hoofdstedelijk voetbalpubliek aan zich te binden. De leuze was een noodkreet want toen Dé Stoop in februari gewag maakte van het mogelijke einde van de club was de doodstrijd eigenlijk reeds lang ingezet. FC Amsterdam was in heel het land geliefd maar werd door slechts weinigen bemind en van het opzet van de fusie 10 jaar voordien bleef weinig overeind. Op Hemelvaartsdag 1982 speelden de Lieverdjes thuis tegen Telstar hun laatste wedstrijd voor 1.400 toeschouwers. De cirkel was rond, 10 jaar na hun debuutwedstrijd tegen datzelfde Telstar mocht FC Amsterdam nu voor het laatst tegen de club uit Velsen in de wei. Terwijl de bezoekers de 0-1 overwinning en kwalificatie voor de nacompetitie vierden, zochten de Amsterdammers teleurgesteld voor een allerlaatste keer hun kleedkamer op.

Een nieuw FC Amsterdam?

Zesentwintig jaar na het opheffen van de club werd de naam ‘FC Amsterdam’ in september 2008 van onder het stof gehaald. Na de moord op Türkiyemspor-voorzitter Nedim Imaḉ besliste zijn opvolger, Sahin Gerdan, dat een naamswijziging misschien geen kwaad zou kunnen voor de zondaghoofdklasser die zijn thuiswedstrijden speelde in het Olympisch Stadion. De naam ‘Türkiyemspor” werd al te vaak in verband gebracht met duistere zaakjes en net die reputatie was de nieuwe voorzitter liever kwijt dan rijk. Dat het Sahin Gerdan menens was bewees hij door enkele oude FC Amsterdam coryfeeën zoals Nico Jansen een bestuursfunctie binnen de club aan te bieden. Ondertussen is Türkiyemspor niet meer en ligt er na 2 jaar opnieuw een dun laagje stof op de naam FC Amsterdam.

Dingemans “Dé” Stoop

Een naam die ongetwijfeld tot het einde der tijden met de club verbonden blijft is die van bezieler, geldschieter en eerste voorzitter Dingeman “Dé” Stoop (22/10/19 – 12/02/07). Als directeur van liftenproducent “Starlift” was hij een succesvol zakenman maar bovenal was Dé Stoop een voetbaldier in hart en nieren. Als bestuurslid van de Nederlandse Beroeps Voetbalbond (NBV) in 1953 stond de eigenwijze zakenman mee aan de wieg van het betaald voetbal in Nederland. Als voorzitter van FC Amsterdam en voorheen DWS was Stoop niet aan zijn proefstuk toe. In de jaren ’50 stond hij aan het roer van een andere club uit de hoofdstad, de rebelse profclub BVC Amsterdam. Dé Stoop leefde in die periode een tijd op gespannen voet met de KNVB maar zou vele jaren later, eind jaren ’70, lid worden van het ‘Sectiebestuur Betaald Voetbal’ van diezelfde KNVB. De Amsterdammer drukte toen vooral zijn stempel als pleiter voor de invoering van shirtreclame en als voorvechter voor een grotere bijdrage van de NOS voor het uitzenden van wedstrijdbeelden. Na zijn passage bij FC Amsterdam was Stoop nog een tijd voorzitter van FC Den Haag. Naast voetbal was hij ook actief in het volleybal.

Bronnen:

“De Lieverdjes: Opkomst en ondergang van FC Amsterdam”. HOOF Marcelle van, Sportbibliotheek – Uitgeverij Thomas Rap.
“Euthanasie op De Lieverdjes”. HORN Martijn, in “50 jaar betaald voetbal”, Uitgeverij De Boekenmakers.
“Om ’t Spel en de Knikkers: 40 Jaar Betaald Voetbal in Nederland”. VERKAMMAN Matty & VERMEER Evert, Smulders Print en Video.
“Er ligt goud in de Amsterdamse voetbalmodder”. CUILENBORG Cees van, in Voetbal International, jg. 10 nr. 27 30 juni – 5 juli 1975.
“Naam FC Amsterdam keert mogelijk terug”. www.depers.nl

Foto: Dé Stoop (1981) – Hans van Dijk / Anefo gebruikt onder CC BY-SA 3